Sanimonitor

Onderzoek werking systeem

Deze monitoring richt zich op het verzamelen van data met betrekking tot de werking van zuiveringssystemen in de praktijk. Onderzoek naar het zuiveringsproces zal vooral plaatsvinden in de ontwikkelfase van een techniek, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een pilot voor een nieuwe zuiveringstechnologie.

Doel: goed zicht krijgen op de werking van het zuiveringsproces, de stuurparameters, de kritische parameters en de onderlinge relaties.

Wanneer/frequentie: een intensieve meetcampagne vindt meestal plaats in een beperkte periode, waarbij de frequentie en de duur van het onderzoek afhankelijk is van de situatie.

Ook bij dit meer gedetailleerde onderzoek is het zinvol onderscheid te maken tussen kleinere systemen en grotere. Dit heeft alles te maken met de relatieve kosten die met een goede meetcampagne samenhangen. De aanbevolen meetfrequentie bij systemen tot 100 i.e bedraagt voor de aangegeven parameters 4 x per jaar. Bij grotere systemen bedraagt de frequentie 12 x per jaar.

Normaliter biedt een meetperiode van 1 jaar voldoende inzicht in het zuiveringsproces.

Type gegevens: de te verzamelen gegevens bestaan uit:

  • procesparameters (influent en effluent)
  • gegevens over de belasting van het systeem

Met de incidenteel verzamelde data kan wat worden gezegd over de precieze werking van de techniek - of configuratie van technieken - in de praktijk, en de resultaten zijn representatief voor die specifieke techniek ook op andere locaties.

Wie: de gegevens worden meestal door de leverancier van de zuivering verzameld.

De te monitoren gegevens zijn opgenomen in tabel 5.

Tabel 5: Te verzamelen gegevens Onderzoek zuiveringsproces – in- en effluentparameters

Tabel 5 Monitoring Onderzoek zuiveringsproces // tabel_5_monitoring_onderzoek_zuiveringsproces.jpg (188 K)

Monstername- en analyseprotocol in- en effluent:

Voor de monstername geldt voorts het Normontwerp NEN 6600-1 'Monsterneming afvalwater'.

Influent: het monster moet daar worden verzameld waar het afvalwater goed wordt gemengd. Daarom moet het influent worden bemonsterd in de buurt van het midden van de influentleiding, waar de turbulentie maximaal is en de mogelijkheid van deeltjesbezinking is geminimaliseerd. Afromen van het wateroppervlak of slepen over de bodem van de leiding moet worden vermeden.

Effluent: effluentmonsters moeten worden genomen op de meest representatieve plek stroomafwaarts van alle invoeren van effluentstromen, vóór lozing in de ontvangende wateren (EPA, 2017).

Bij de monstername dient te worden gestreefd naar een onder de omstandigheden zo representatief mogelijk effluentmonster.

In principe kan met een steekmonster worden volstaan. Als er echter (bij grotere systemen) een mogelijkheid is voor een debiet- of tijdproportionele bemonstering, dan kan dat worden overwogen.

De verzamelde monsters dienen gekoeld (≤4°C) bewaard en getransporteerd te worden. De bemonstering dient plaats te vinden onder normale bedrijfsomstandigheden. Dus niet vlak na de aanleg of na een ernstige calamiteit.

Onderzoek zuiveringsproces – beheer en onderhoud:

In de onderzoeksperiode worden bijvoorkeur ook alle beheerparameters als bij de basismonitoring verzameld, maar dan met eenzelfde frequentie als de overige gegevens.

 

Terug